Spring naar inhoud

Toetsen en testen

Het verschil tussen een toets en een test
Op de basisschool worden de termen toets en test vaak door elkaar gebruikt, maar dat klopt eigenlijk niet. Een toets meet specifieke leerstofkennis (bv. spelling, rekenen), terwijl een test breder kan zijn en bijvoorbeeld aanleg, intelligentie (zoals de NIO-test) of vaardigheden (zoals de DMT voor technisch lezen) meet. Met een toets wordt bijvoorbeeld gekeken of je de lesstof van rekenen goed begrijpt, terwijl een test kijkt hoe je ruimtelijk inzicht is. Een toets kijkt (grofweg) naar kennis en een test naar kunde en vaardigheid.

Een test wordt vaak afgenomen met als doel een breder beeld van de leerling te krijgen en bijvoorbeeld een schooladvies te ondersteunen. Het belangrijkste verschil is het doel: toetsen zijn formatiever (terugkoppeling naar leren), terwijl tests soms diagnostischer zijn (inzicht in capaciteiten). 

Toets (Focus op Leerstof)

  • Wat: Meten van specifieke kennis en vaardigheden die direct in de les zijn aangeleerd.
  • Voorbeelden: Schriftelijke overhoringen, proefwerken, reken- of spellingtoetsen, AVI-toets (technisch lezen).
  • Doel: Controleren of de leerling de leerstof beheerst en waar eventuele achterstanden zijn, om de instructie aan te passen. 

Test (Focus op Capaciteit/Aanleg)

  • Wat: Meten van algemene aanleg, intelligentie, of verborgen talenten, los van de specifieke lesstof.
  • Voorbeelden: NIO-toets (intelligentie), DMT (Drie Minuten Toets - technische leesvaardigheid).
  • Doel: Inzicht krijgen in het potentieel van een leerling, vaak als tweede mening (second opinion) naast reguliere toetsen om een goed schooladvies te geven. 

Kortom.....

Een toets is vaak gericht op wat je weet (kennis), een test kan meer gaan over wat je kunt (potentieel, aanleg). Beide kunnen echter belangrijk zijn voor school om een compleet beeld van een leerling te krijgen. Ook voor ouders kunnen resultaten van toetsen en testen een beter en completer beeld geven.

Testen worden meestal niet groepsgewijs op school afgenomen. Dit gebeurt vaak 1 op 1 door bijvoorbeeld een psycholoog of iemand anders die hiervoor is gecertificeerd.

Twee soorten toetsen
Op de basisschool worden twee soorten toetsen gebruikt:

  • methodegebonden toetsen die horen bij de lesmethodes die gebruikt worden, waarmee gekeken wordt of de aangeboden lesstof goed begrepen en onthouden is.
  • niet-methodegebonden toetsen die kijken hoeveel leerstof een kind beheerst in vergelijking met leeftijdgenoten.

Aan de hand van methodegebonden toetsen kan een leerkracht zien of de lesstof die hij/zij aan heeft geboden nu ook beheerst wordt. Waar nodig kan er worden herhaald of de instructie/uitleg worden aangepast. Een niet-methodegebonden toets kijkt breder en neemt ook leerstof mee die misschien (nog) niet is aangeboden. Deze niet-methode-gebonden toetsen worden meestal ingezet voor het LeerlingVolgSysteem (LVS). Elke school is verplicht een LVS bij te houden. Als ouder hoor je geïnformeerd te worden over resultaten.

Soorten toetsen en wat ze meten:

  • LVS-toetsen (LeerlingVolgSysteem): Verplichte toetsen (Cito, IEP) die vorderingen in taal, rekenen, lezen (AVI, DMT) en soms sociaal-emotioneel gebied meten, om de ontwikkeling in kaart te brengen.
  • Methodetoetsen: Meten beheersing van de behandelde lesstof; ze laten zien of extra uitleg nodig is.
  • NIO-toets (Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau): Een intelligentietest (geen doorstroomtoets) die capaciteiten en verborgen talenten meet, vaak gebruikt als 'second opinion' voor een advies, bijvoorbeeld bij onverwachte resultaten.
  • Didactisch onderzoek / Leerpotentietest: Breder onderzoek naar niveau en leervoorkeuren, om de beste aanpak voor een kind te bepalen. 

Doelen van toetsing:

  • Inzicht krijgen in leerresultaten en vaardigheden.
  • Bepalen of leerlingen meer instructie nodig hebben.
  • Controleren of de leerstof voldoende beheerst wordt.
  • De ontwikkeling van het kind over langere tijd volgen (groei en ontwikkeling). 

Belangrijke aspecten voor ouders en school:

  • Toetsresultaten: Cijfers (A-E) of niveaus (I-V) geven een beeld van het functioneringsniveau; het is belangrijk de groei te zien (lijn omhoog/afvlakking).
  • Inspectie: De onderwijsinspectie kijkt naar hoe scholen vorderingen meten en actie ondernemen op basis van die gegevens.
  • Aanpassingen: Toetsen kunnen aangepast worden (bv. extra tijd, ander niveau) om een beter beeld te krijgen, mits dit goed gerapporteerd wordt. 

Toetsen zijn een cruciaal onderdeel om de voortgang van ieder kind te monitoren en te sturen, maar ze geven maar een deel van het totale beeld van een kind.

Oefenen voor een toets?
De vuistregel is (wat mij betreft):
- Je kan wel oefenen voor een methodegebonden toets
- Je moet niet oefenen voor een niet-methodegebonden toets (met één uitzondering, zie hieronder)

Dus...... geen toetsboekjes van Cito via Marktplaats kopen en gaan oefenen. Het resultaat van de toets laat dan geen werkelijke vergelijking meer zien met andere leerlingen, het resultaat is daarmee nutteloos. Er is zelfs risico dat je kind door zo'n resultaat minder uitleg en hulp gaat krijgen. Het lijkt immers niet nodig. Of je kind krijgt een niet-passend te hoog schooladvies. Daar wordt hij of zij ook niet gelukkig van.

Wat mij betreft is er één uitzondering voor oefenen voor niet-gebonden toetsen (zoals Cito) en dan gaat het om de vraagstelling. De vraagstelling kan soms zo anders zijn dan kinderen gewend zijn, dat ze lager scoren dan wat ze eigenlijk kunnen en weten. Het mooiste is het als hier op school aandacht voor is, zodat de hele klas leert hoe het antwoord te vinden op wat gevraagd wordt. Lukt of kan dit niet, bereid dan (in overleg met de leerkracht) je kind voor als hij of zij de manier van vragen ingewikkeld vindt.

Als voorbeeld: Jarenlang leerden wij de kinderen in de bovenbouw hoe ze bij een spellingtoets van Cito de juiste antwoorden moesten vinden. Cito vroeg: "Welk woord is niet goed gespeld" en gaf dan vier woorden waarvan er eentje fout was gespeld. Het fout gespelde woord was dus het goede antwoord.... Dat is zo anders dan hoe er normaal gevraagd wordt (naar het goede antwoord....). Het was noodzakelijk de kinderen de vaste aanpak te leren: je leest iedere zin, ieder woord en je schrijft alleen de letter op van de zin of het woord dat niet goed is gespeld. Inmiddels wordt deze omgekeerde vraagstelling niet meer gebruikt geloof ik, maar er blijven altijd leerlingen voor wie het nodig is dat ze (enigzins) op de vraagstelling worden voorbereid.